Als talmer

 

Ben ik dwalende ganzen die formatie zoeken boven mist,

Bedruip ik me rusteloos kauw kauwend in bladloos bos,

en lach ik ongemakkelijk met de turkse tortels mee

In eigen tuin bol ik mijn roodborst, ben ik winterkoning

 

Daar noopt mezen gedonderjaag merels soms tot vals alarm,

schudden de kussens, lichten het velours gordijn kort op:

Een glimpje glunder op de doffe eensluidendheid,

een doorkijk op wat kon, wat lijkt te kunnen, immer

 

door lijkt te gaan…. Een schorre gaai bevestig ik graag

Of een reiger klapwiekend vanaf het wak. Een zwanenzang

ontspant de wurggreep van natte klets en ingekuilde fut

in een uitdijende amper verlopende tijd. Eindeloos

 

kan ik verlangen naar het moment dat de grutto klinkt

Want dan ontploft van blijdschap de lentelucht

En hoe kortstondig ook zijn bezoek, en snel alweer zijn vlucht

‘t gemoed is fris verlicht voor het terug in schoenen zinkt

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.