anders 43.

Deel 43 van een lange en coherente reeks (64) met als voorlopige titel: MuZe. In sonnetten in traditionele en vrije vorm. Geïnspireerd door het werk van Petrarca, Hertmans, Strand en de I Tjing en het ganzenbord. Afgewisseld met abstracte zwart wit tekeningen en een prozagedicht in delen. Doorwerken maar!

 

Zwalken

 

Halfblind zeil je langs wildvreemde kusten

Schampt grenzen van exotische oorden

Koerst op omschrijvingen, verleidelijke woorden

Denkt glimpen te zien van tuinen der lusten

 

Ahoy daar! Roep je duizenden malen. Zwaait,

zonder te weten dat iemand naar jou staat te kijken

Zeeën deinen, zeeën die oeverloos lijken

Geduldige zeeën met verdronken, vergeten verhalen

 

Het land dat je met volharding toch vindt,

zal het weerkaatsen in je omfloerste ogen?

Vormen de vage contouren niet toch een labyrint?

 

Is het baken waar je het haperend vizier op richt

de reflex op je gehoor of je fataal onvermogen?

En vind je daarachter uiteindelijk gezicht?

 

anders 31.

 

Deel 31 en bijna halverwege een lange en coherente reeks (64) met als voorlopige titel: MuZe. In sonnetten in traditionele en vrije vorm. Geïnspireerd door het werk van Petrarca, Hertmans, Strand en de I Tjing en het ganzenbord. Afgewisseld met abstracte zwart wit tekeningen en een prozagedicht in delen. Doorwerken maar!

31.

De put

 

Men heeft de metgezellen al teruggezet

Ik strek me en gluur over de rand

Het speelveld precies hetzelfde, en min

of meer hersteld schat ik mijn kansen in

 

Vanaf nu begint het spel

serieuze vormen aan te nemen

De wilde inspiratie, het gokken op geluk,

en ook ongein en opsmuk verveelt

 

De ziel verdient een spoor

Ik zal wat zijwegen gaan bekorten,

zodat het zicht op de bron

 

net als die er vanuit eenduidig wordt

Twee dobbelstenen liggen naast het bord

Voor mij nog zeker een beurt onberoerd

 

17. overtollig novembergedicht

 

plenty, plenty, plenty

 

plenty of time

plenty of space

plenty of air

is plenty of base

 

plenty of food

plenty of light

plenty is good

plenty’s allright

 

plenty of people

plenty of friends

plenty of questions, o

lonely plenty ends

 

plenty of everything

plenty for free, please

spare plenty, plenty, plenty

of nothingness for me

17. ongeduldig novembergedicht

 

Wen  ding

 

Niks   meer   is

Is   ook   niet   meer

Ook   ook   is   dood

 

Zou   kunnen   nog   kunnen,

misschien   nog    toch

wel?

 

Willen   wellicht?

Willen,   maar   mogen?

Maar   waar…

 

Zijn   is   stromen

Ook   dromen   is   fijn

Ook   ook,   en   en

 

Leven   is   moeten

Is   eten.   Er   is!

Ik   moet.   Ik   ook!

17. oktobergedicht

 

Madonna, Munch (Hamburg versie)

 

Mijn muze staat op straat te zwaaien,

ik had haar bijna niet herkend,

daar wankelend op aarden bodem

in het aftocht blazen van het licht

 

Hangen hoort ze, in slecht verlichte zalen,

waar ze nauwelijks opvalt,

achter aangeslagen ramen,

tussen kale onvergulde lijsten.

 

Daar vind ik haar, voor mij alleen,

mits ik hard genoeg applaudisseer

en alle grijze muizen heb verdreven.

 

Nu staat ze verwachtingsvol naar me te zwaaien.

Ik zwaai stroef terug, vanachter dubbelglas,

in mijn potje roerend op laag vuur…

 

17. nazomergedicht

 

Ommekeer

 

De Ee staat stil,

En o! de Aa. Gestrand,

balsturig in impasse, samen

verlangen ze naar t niemandsland.

 

Het water, toeristen moe,

wil anders, sereniteit en klasse!

Genoeg t gelijk beamen, wil

naar onvermoede plaatsen toe.

 

Burgers malen, draaien onrust

door hun slaap en klamme lakens,

zien het zwerk al drijven:

rampen, catastrofes, hartenlust

 

Lacht achter in mijn dromen,

hoog en zeker van haar macht,

De maan! laat water stromen

richting Bartlehiem of Nooitgedacht

 

Rimpelloos wacht de Ee nog stil

op noodzakelijk niveauverschil

En o! de Aa. In wellust kabbelt ze

de aanlokkelijke waker achterna

 

17. juligedicht

 

 

Dood of gedicht

 

Liever dood dan gedicht

Liever rood dan gezwicht

voor mooipraterij in dure woorden.

My darlings zal ik graag vermoorden

 

Er is geen stand, ik ben aan niets verplicht

Er valt niets te redden, geen gezicht

Is immers wat we al eerder hoorden

niet getoonzet in vluchtige akkoorden…

 

Deze overvolle regels moeten kiezen:

Wat ze te winnen hebben, wat te verliezen…

Opnieuw in meer en meer archaïsch licht.

 

Was dat de term die dit sonnet ontwricht?

Ik vond het, naast mijn ingepakte biezen.

Is dit wellicht mijn doodsbericht?

 

17. junigedicht

 

The moon lights me when I am dark

 

Als we omarmen, benader ik meer mijn vel

Het voelt goed, nauw aan jou gekluisterd zijn,

zolang we onze zinnen voeden

 

Met je oor op mijn borst hoor je me

rammelen als ik beweeg. Mijn gewichtig ego

is gekrompen; volgt, sluit later aan bij elke stap.

 

Mijn huid wordt rudiment, hangt er vaak fut -en

bloedeloos bij, voelt geen drang meer

om te regenen of te blozen

 

Nabij je, lijk ik veel beter precies

in mijzelf te kunnen passen: Dat geeft moed, kunnen

overlopen me zelfs kunnen overstijgen!

 

Hoe dieper echter de mijn, die ik ben, lijkt

hoe dichter ik het ultieme sublieme nader,

hoe meer mijn huid in jou lijkt op te lossen.