17. junigedicht

 

 

 

The moon lights me when I am dark

 

Als we omarmen, nader ik mijn vel

Het voelt goed, aan jou gekluisterd zijn,

zolang we elkaar goed voelen

 

Met je oor op mijn borst hoor je me

rammelen als ik beweeg. Mijn gewichtig ego

is gekrompen; sluit later aan bij mijn stap.

 

Mijn huid, het rudiment, hangt er fut -en

bloedeloos bij, voelt geen behoefte

om te regenen of te blozen

 

Nabij je, lijk ik veel beter precies

in mijzelf te passen: Geeft moed,

zou ik me zelfs kunnen overstijgen!

 

Hoe dieper echter de mijn en

hoe dichter ik het sublieme nader, hoe

meer mijn huid in tijd lijkt op te lossen….

17. februarigedicht

 

 

(we zwaaien)

 

Je keek weg

Lang volgde ik je blik

Tot je wat anders

zag dan ik

 

M’n muze, m’n hartezeer,

ik kon je niet volgen,

verlang je

daarom des temeer

 

Ik spit getrouw mijn land

bemest het;

ik bloei mijn planten,

schik ze op afstand

 

Je maan beschijnt het,

soms vlieg je over.

Daar zie je me staan:

zwaaien met droogboeket

 

16. decembergedicht

 

 

Zolang je             (denkend aan Campert)

 

Zolang je nog

Zolang je nog kunt

ademen. En ademtochten

tellen kan. Wanneer je dagen

die te zeer vertragen

stil laat vallen,

ooit…

in de durende nacht.

Zij

hun lichtende pracht

aan jou niet kenbaar

meer willen maken.

Zolang je maar

Zolang je maar

je ogen open houdt. Ziende

blijft ademen en ademend

ervan vertellen kan

Zal de dag niet

De schitter niet

Het wonder niet

in de nacht verzuipen,

Nu niet. Nooit!

 

16. novembergedicht

 

Muze (5)

 

Sirenen verzorgen de proloog,

weekmakers zijn het!

Hun opmaat ontlast de wapenen van hun taak

 

Het poreuze landschap ademt ruimte

Oneindige weidsheid nodigt uit te blijven zweven

Er is niets wat aanhaakt, niets beklijft

 

Geen bomenstaketsels, ondoordringbaar struikgewas,

dorre vlaktes, ruig gebergte, mensen,

woorden

 

je opent je vingers,

je vleugeltoppen neigen iets naar achteren,

je maakt een duikvlucht

 

In het verschalken van je prooi komt het samen:

Het verzuchten van haar laatste verzet,

de overgave van het weke vlees, het warme bloed,

 

Je superioriteit en toch één willen worden,

Je willen onderdompelen, willen versmelten.

Je voeden…

 

Eén gaat dood, één wil leven

16. oktobergedicht

 

Drie manen verder

 

Heb je tienduizend spullen door je handen laten gaan

Dezelfde spullen in verhuisdozen nooit teruggevonden,

Soortgelijke spullen zijn op soortgelijke plekken komen te staan

Preuts plooien ze licht om dit onbekend domein te doorgronden

 

Als het opgeworpen stof eindelijk is neergedaald,

de nieuwe stilte langzaamaan begint te wennen,

worden van ongeduld popelende mogelijkheden onthaald

Zijn er legio nieuwe perspectieven te verkennen

 

Je beseft dat (de maan wast tot alweer bijna rond);

Als je slaapdronken achter het omwoelde wolkje kijkt

naar een schaduw die je laken kust met haar zinnelijke mond,

de gebluste droom sneller dan een zucht verstrijkt

 

Onhandig tracht je op je nieuwe plek te aarden

Nog wat rommel weg, nog wat herinneringen te verfraaien

Je herijkt afstand, andere zeden zal je klakkeloos aanvaarden,

En bij volle maan zal je toch weer naar je spiegel zwaaien

 

16. juligedicht

 

Laat het bestaan

 

Geef het geen naam

Omkader het niet

Sluit je ogen, slik je in

Slecht grenzen

 

Laat je alleen, vederlicht

met vogels resoneren, of

Doe de waterloop

het pad der wijzen

 

Haal terug je wens

je ijdel streven

Stap van het verlangen af

Laat gewoon de weg

 

Slik je in. Verteer

Scheidt af je deernis

Verlies, comprimeer en meer,

heb meelij met je anus

 

Echo bepaald de ruimte

Daarbuiten is nog plek

Daarbuiten ligt de verte

Binnenstebuiten zonder hek

 

16. junigedicht

 

Le temps perdu

 

Haar evidentie doet niets ongewoons vermoeden

De aarde is immers fragile noch eindeloos

Ik mocht willen, kunnen, eindeloos genieten

Van haar ronde tieten, zachte billen, haar doos

 

Waar ook Pandora, ik zal haar vinden

ik leg haar bloot, echoput van het heelal

Ze zal me gaan verslinden, ik ruk me los

en ontbind beslist, terzijde, in mijn kleine dood

 

Hoe noodlottig is onze levensloop en

slechts decimalen verleggen we  perspectief

Voetje voor voetje volgen we uitgezette lijnen

behoedt ons zo voor het vroegtijdige verval

 

Ras nadert het punt waarin ook ik verdwijnen zal,

die duikeling belet zelfs niet mijn lief

Ga ik de duivel nog met paarlen paaien

zodat wijzers bezwijken onder t ijdel respijt?

 

Ach, eens zal er verlichting komen, waarmee later,

willen, zullen, zeker weten worden uitgesloten

Genieten alleen op weerklank groeien kan. Ja, dan!

Tijd om in deze zin de laatste adem uit te stoten. Ja, nu..

16. meigedicht

 

Quidditas  (dit-heid)

 

Zo transparant, zo teer het kuiken…

Zie het hartje van groeien driftig kloppen

Wat zette het tot kloppen aan, was er oorzaak?

Kon alles niet gewoon in stilte blijven staan?

 

En weer verschijnt de zon boven de einder.

Weet hoe doorzichtig maar kort de ochtendstond

Hoe onzeker ook het groen, reden vond zich te ontvouwen.

Kon het niet gewoon er zijn en blijven,

 

Gewoon in prille aanwezigheid berusten?

 

Met twee benen vind elke stap opmaat

tot een volgende, schrikt het juist afgevallen dons

van het stampen op. Elke stap verzet seconden,

en doet de vorige, vorige? ermee vergeten.

 

Een kip ok, maar wie bedacht het ei,

Dat gedoe van daar naar hier naar nageslacht

wat al met al de opzet was. Kon maagdelijkheid niet duren,

met wil en toekomst blijvend in de wacht?

 

16. aprilnotitie

 

Wat blijft

 

Wat eeuwig blijft

zijn de verbijsterende grillen

van de natuur

Is de schitterende onverschilligheid

van de natuur

 

Wow,

dat ene te zien!

 

Kunst is het te verwerken

En als het verstaan wordt

is het ook dat

wat blijft

16. maartnotitie

 

Notities/aanbevelingen van/voor een artiest/mens

 

Van belang is het je gewaar te zijn van het gat. Er is altijd een gat! (cliché,

routine). Er is het gevaar van het gat en de onmetelijke diepte van het gat.

Ziehier een kans. Verzamel moed er met je ogen open in te springen!

 

Het is van belang je te realiseren dat alles in hele grote spiralen rondtolt.

Niets stilstaat, zelfs de dood niet, alles verbonden is en telkens weerkeert.

(Dit bepaald het benul van je nietigheid en meet tevens je perspectief)

 

Ook is het van belang leeg proberen te zijn. (hol, kaal, openstaand, vacant)

“Omdat alleen dat wat leeg is kan doordringen in wat geen tussenruimte heeft”

Leeg maar toch alert, zodat je direct vol kan lopen met levendige spontaniteit.

 

Het is van belang de tussenruimte te waarderen, spiegelen, keren als een legeregel.

Oefen bijvoorbeeld door langer te rusten/verblijven tussen de in-en uitademing.

Vindt in bescheidenheid bestaansrecht tussen al die drukke, doelgerichte existenties.

 

Van belang is het besef van groei en evolutie, de overlevingsdrift, het verlangen.

Niet perse altijd het hart te moeten volgen, maar wel de muze hoog te houden.

Het streven naar een betere plek, zonder je afkomst te veronachtzamen.

 

Realiseer jezelf door alles zonder moedwillig ingrijpen door je heen te laten stromen.

Stroom zomaar vanzelf, zonder medium-behalve je mededogende glimlach, mee…

Je verlicht dan met je schittering precies dít moment: je unieke gave aan ons!

16. februarigedicht

 

Apnoe   ( slapende muze, Brancusi )

 

Je ogen, haast geen ogen, zijn geloken

Je mond een streepje open

Je ademt niet en je bent niet dood

 

Slaap je? Durf ik niet te vragen

Bang dat ik Morpheus’ pootje licht

Ik draai me spiedend naar een teken

 

Enige beroering van de deken

Wat gaat er om tussen wangen zonder oren

Achter het gladgestreken voorhoofdsvel

 

Dan wordt met brute kracht

En grote schrik de adem opgehaald

Wat lucht geeft aan je stoutste dromen

16. januarigedicht

 

Driuw     (fries voor drijven, drift)

 

Muzen, het zijn er wel een stuk of tien

Niet veel meer, ik gijzel ze in mijn kast

Ze tippelen er rond, zijn de anderen niet tot last

Popelen ze om bevrijd te worden? Misschien

 

zou ik het popelen in mijn vingers willen zien

Zodat ik minder blindeman, en op de tast

het gat kan vinden waarop de sleutel past

En drang niet beperkt blijft tot endocrien

 

De gijzeling is nooit van langen duur

Wit papier weerkaatst de aantrekkelijke gloed

van het in de kast allengs oplaaiend vuur

 

Met natte lappen doof ik geestdriftig de vloed

Het gat in de muur waardoor ik rooksignalen stuur

ziet verontrust dat nog 1 muzenlijkje  nabloed

 

15. decembergedicht

 

Als talmer

 

Ben ik dwalende ganzen die formatie zoeken boven mist,

Bedruip ik me rusteloos kauw kauwend in bladloos bos,

en lach ik ongemakkelijk met de turkse tortels mee

In eigen tuin bol ik mijn roodborst, ben ik winterkoning

 

Daar noopt mezen gedonderjaag merels soms tot vals alarm,

schudden de kussens, lichten het velours gordijn kort op:

Een glimpje glunder op de doffe eensluidendheid,

een doorkijk op wat kon, wat lijkt te kunnen, immer

 

door lijkt te gaan…. Een schorre gaai bevestig ik graag

Of een reiger klapwiekend vanaf het wak. Een zwanenzang

ontspant de wurggreep van natte klets en ingekuilde fut

in een uitdijende amper verlopende tijd. Eindeloos

 

kan ik verlangen naar het moment dat de grutto klinkt

Want dan ontploft van blijdschap de lentelucht

En hoe kortstondig ook zijn bezoek, en snel alweer zijn vlucht

‘t gemoed is fris verlicht voor het terug in schoenen zinkt

 

15. novembergedicht

 

Er waaien alweer uren meeuwen van zee

 

En wat bijzonder is, er waaiden nu ook spreeuwen mee

Ze waren vele malen talrijker en veel kleiner

En ook hoger, de spreeuwen dan de meeuwen,

en waar vlogen ze gezamenlijk naar toe?

Het kan me niet verrotten al vlogen ze naar Timboektoe toe

 

Belangrijker is te realiseren: ze kwamen allemaal van zee

En nog belangwekkender vond ik nog veel fijner:

ik vloog enkele ogenblikken met ze mee

 

15. oktobergedicht

 

Zonder jou de eeuwigheid

 

Waar ik toe in staat ben

Wat ik al niet til

Wat ik al kan opslaan

Wat ook ik maar wil

 

Tijd kan ik makkelijk doden

Kijk het recordboek er maar op na

Alleen eeuwigheid is nog verboden

De klok tikt door, maar stil

 

Wat jij me nog wil zeggen

Wat we samen nog kunnen doen

Is bron van het continue tikken

Leven we nu dromen van toen

15. septembergedicht

 

1 Oktober

 

De dag waarop ik september verloor,

het kalenderblad omsloeg

en daarmee ook alle dagen ervoor

begroef tussen memo’s en oud krantenpapier

 

Wat ik nog achter me hoor

is nauwelijks nog echo van daden,

maar het knisperen van een willekeurig spoor,

en petit reveil van verschaald plezier

 

Niet indolent in lethargie verzanden

en minder met de laatste winter flirten!

Ik zal  wrakke schepen moeten verbranden

eer ik dit rijp moment als weldaad vier

 

15. augustusgedicht

 

Wensput

 

Nog zo vele woorden wit te wassen,

te grave te dragen

 

Nog vele zinnen uitelkaar te trekken,

leeg te schudden

 

Nog veel verhaal te halen,

aders te laten

 

Nog vele boeken te ontbinden

en te verteren

 

En rijmend op zwoegen,

er nog daden aan toe te voegen

Of er simpelweg een punt achter zetten

 

Hier alvast één.

15. julygedicht

 

Nog

 

Zoals mijn rug mij recht,

mijn benen mij lopen,

mijn handen mij doen,

zo vloeit mijn bloed

 

Zo vanzelf mijn kop

als stop er bovenop

Zo dicht kan hij dus open,

en er ogen in eeuwigheid mee dopen

 

Of vice versa, al naar gelang,

want behalve ’s nachts

ben ik voor den duvel niet bang

 

zolang mijn lijf en leden staan

wil de geest wel waaien en

zal Knarf mij nog geen oor aannaaien

vertraagd 15. junigedicht

 

Momentum passé (fragment van een ode aan Fernado Pessoa)

 

Kom, smachten we

Kom onmogelijke, hetgeen wij vergeefs zoeken,

nacht, stap uit dromen die aandringen

aan ons venster, kom!

 

Kom uit overzeese verten

Kom, ontlood onze horizon

Kom baltsend, verleidt ons

en laat ons delen in je driften

 

Kom, blijven we zeggen

als we de lege eierschalen verzamelen

Als de belofte zich al bibberend

tussen dauwrijp blad laat vertroosten

 

Kom, blijven we zeggen

Als wat uitgebroed is uitvliegen leert

En zich, elkaar roepend, groepeert

met dezelfde snavels in dezelfde wind

 

Kom, blijven we verlangen

Omdat de ziel groot is en het leven klein,

onze gebaren binnen ons lichaam gevangen blijven

Wij slechts rekken tot waar de arm strekt,

en slechts zien tot waar het oog reikt..

 

 

15. meigedicht

 

Wacht

 

Dacht ze me nog na

Het geniale gat, de kiem, de bron

waaruit mijn oorsprong sproot

 

De tocht, de kou sloeg aan

Ik weerde me, haarloos nog en bleek

terwijl mijn navel bonsde

 

Met ingehouden adem

testte ik de streng. Na jaren

en vele passen gaan

 

hoorde ik op mijn plek stilaan

haar gedachten zwellen:

Van zacht ruisen in de nacht

 

Tot roepen in de nacht

Tot schreeuwen in de nacht

Tot krijsen in de nacht

15. aprilgedicht

 

Onder de meeuwen

 

Niet eerder heb ik hier gestaan, niet zo

Niet eerder zag ik jullie, niet zo

Niet eerder ook zagen jullie mij, niet zo en

Niet eerder beleefden we deze geluiden in dit licht

Niet eerder smaakte het zo zout

 

Straks, als dit gezegd zal zijn

heb ik als Sisyphus de tijd voor me uit geschoven

zal ik er nog staan,

niet als voorheen.

Straks zie ik jullie en jullie mij

niet als voorheen.

Zal het licht niet zo zijn als voorheen en

het zandkasteel belegerd, geplunderd

en opgelost zijn.

 

Later zien we terug op wat is gezegd,

grijpen we terug naar wat ooit was,

grijpen we naar wat onaantastbaar vast leek te staan.

Later vegen we het droge zand opnieuw bijeen,

En vegend zullen we elkaar wellicht weerzien.

Manen wassen en nemen af.

Golven kennen toppen en dalen, ruis en stilte

Daartussen, in dat vacuüm,

kun je me ebbend naar adem horen snakken

15. februarigedicht

 

Karma

 

Je moeder wacht stil.

Woorden en tanden ben je reeds verloren.

Ze wacht,

geduldig, heeft toch alle tijd.

 

Je botten zullen breken,

ontzetten zullen ze het vlees, lam gebeukt

ontkleurt alles dan van waarde,

alles overgegeven aan vermoeienis.

 

Tot weerom het lichter wordt,

dan ontlucht de adem en is de cirkel rond

trekt hoop haar zijden roze vleugels aan

en het hele circus opnieuw van voren af begint.

 

Je moeder zal nog een ronde blijven.

En jij blijft eeuwig kind.

15. januarigedicht

 

Lichter

 

Buiten annonceren merels manifest,

wat vroeger nog dan gister

En als er nu geen wolken waren,

was gisteren nog verder weg geweest.

 

Nu ruik ik nog naar huid en haar,

en de welriekende roerselen daaronder.

Een kort seizoen mocht ik me raden,

maar zo direct staat buiten alweer klaar.

 

Een frisse wind zal er gaan waaien,

binnen worden muren als nieuw gewit.

Orde pogen om schijn te wezen,

te zijn zoals men lijken wil.

 

Waar ik helpen kan zal ik je helpen,

op te leuken van je bestaan.

Eerst zelf verschonen dan zal ik komen:

Mijn baarddagen zijn gedaan.

 

 

14. decembergedicht

 

Geuren

Er werden kamers door ontsloten

die ik nooit eerder betrad

Noem het een kamer want een deur

Deuren, kamers, noem het huis

Het dak bepaalde plek tot onderkomen

 

Met ontluikende contouren misschien van thuis

Was tijd er nog los van chronos

Materie nog zonder vorm

Licht alleen nog flauwe warmte

en richting een concept

 

(voor het benoemen van de kamers

moest ik nog geboren worden)

 

Met het dwalen in het onvolgroeide eigen

vond ik sporen van haar, van haar

en zweet, vermoedens van bloed, poep, aarde

En herinneringen aan zaad van diep, de diepte

die het huis aanvankelijk onthield van muren

 

Lucht, het onbegrensde wat het begrensde verbindt,

zal als geleider eenmaal in beweging

het huis stormachtig vorm gaan geven, het

smachtte zoals bloed dat met lichaam doet.

 

Ik rook er nog nooit zo goed

14. novembergedicht

 

Maangat

 

Gelijk kaarsen krimpen de dagen

Tot God zo kort als rot is ingeklonken

Met in tienduizend dingen ingebed: een wens,

waarmee hoop en groei nog juist gered

 

Zie God, zo kort als rot: de mens!

Tot slechts essentie van zichzelf geslonken

 

Joh, mocht ik door je gaatje turen

Dan zou ik talmen te geloven

Talm ik geloven dat je louter hebt gekaatst

wat door ons effectloos eerder opgeslagen

 

Wakkerwaans leven

in omgekeerde weerschijn weliswaar

upsidedown en viceversa weliswaar

Op accidenteel doek de reflectie weliswaar

 

Toch herken ik in dit nachtelijk braken

In ogen, oren, monden de buren

En als ik door mijn haren heel goed kijk

zie ik op hun achterwand mijn eigenlijk