17. nazomergedicht

 

Ommekeer

 

De Ee staat stil,

En o! de Aa. Gestrand,

balsturig in impasse, samen

verlangen ze naar t niemandsland.

 

Het water, toeristen moe,

wil anders, sereniteit en klasse!

Genoeg t gelijk beamen, wil

naar onvermoede plaatsen toe.

 

Burgers malen, draaien onrust

door hun slaap en klamme lakens,

zien het zwerk al drijven:

rampen, catastrofes, hartenlust

 

Lacht achter in mijn dromen,

hoog en zeker van haar macht,

De maan! laat water stromen

richting Bartlehiem of Nooitgedacht

 

Rimpelloos wacht de Ee nog stil

op noodzakelijk niveauverschil

En o! de Aa. In wellust kabbelt ze

de aanlokkelijke waker achterna

 

Geef een reactie